Logo Universiteit Utrecht

Het verdriet van België

Artikels

Louis: meeloper en rebel

door Marthe de Vroome

In Het verdriet van België, dat zich grotendeels voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog afspeelt, gaat de jonge Louis Seynaeve op zoek naar een manier om zich een eigen identiteit aan te meten. Hij probeert een autoritaire positie op te eisen om er zo voor te zorgen dat anderen zijn belang erkennen. Zijn zoektocht vertoont een aantal overeenkomsten met de zoektocht van Vlamingen naar hun eigen positie in een verdeeld land.

Louis’ familieleven en de relatie met zijn ouders zijn wat gecompliceerd omdat hij een groot gedeelte van de tijd niet bij zijn familie, maar op een door nonnen geleid internaat verblijft. De enige mannelijke figuren van autoriteit die consistent aanwezig zijn, zijn er in abstracte vorm (beeltenis van de paus, geloof in Jezus en God), en in de vorm van boer Baekelandt, met wie de leerlingen steeds de draak steken. Louis neemt dan zelf de functie van leider op zich: hij verzamelt een groepje jongens om zich heen, de Apostelen, een soort surrogaatgezin (Lensen 154), waarbinnen hijzelf de naam Petrus aanneemt. Zo wil hij zich opstellen als een essentiële figuur binnen deze groep. De Apostelen lappen in het geheim de regels van het internaat aan de laars, waarmee ze de autoriteit van de nonnen verder ondermijnen. Buiten het internaat voelt Louis zich echter nog steeds ondergeschikt aan zijn familie en andere mensen in zijn omgeving die volwassener zijn dan hij, omdat hij geen vat kan krijgen op de manier waarop zij taal gebruiken. De overeenkomst met de positie van de Vlamingen in België is hier dat de elite en officiële instanties lange tijd Franstalig waren, en dus ontoegankelijk voor degenen die de Franse taal niet volledig beheersten en niet gehoord konden worden. Louis kan hier niet door taal zijn eigen belang duidelijk maken aan anderen, en dit wordt alleen maar problematischer wanneer hij van het internaat naar het College gaat. Louis gaat op zoek naar een alternatieve omgeving waarin hij wél belangrijk kan zijn.

Dit alternatief denkt Louis te vinden bij de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen, een fascistische jeugdorganisatie (Lensen 154). Deze organisatie wordt afgekeurd door enkele van de voornaamste gezaghebbende figuren in Louis’ omgeving (vooral zijn grootvader Peter, en één van de leraren op het College, de Kei); door zich in het geheim toch aan te sluiten bij de NSJV hoopt Louis aan de alomtegenwoordigheid van hun autoriteit te ontkomen. In deze nieuwe groep vindt hij ook het zelfvertrouwen om zelf macht uit te oefenen: door het dragen van een uniform hoort hij niet alleen ergens bij, maar staat de NSJV ook achter hem. Dit is een reflectie van de Vlamingen die door collaboratie met de Duitse bezetters hun eigen positie en culturele identiteit binnen België hoopten te versterken.

Verder hoort bij dit uniform ook een dolk, waardoor Louis bewapend en dus een potentieel gevaar voor anderen is, en hij gebruikt deze macht ook tegen gewone burgers die zich niet uitdrukkelijk achter het nazi-regime scharen. Op een gegeven moment (380) spreekt hij een man aan op het feit dat deze een stoel op de stoep heeft gezet, en probeert hem op te dragen deze weg te halen; de man zegt echter dat de straat van iedereen is – wat uiteraard het geval is – waarop Louis zijn wapen trekt om zijn gezicht te redden in het bijzijn van een mede-NSJV’er. Hier blijkt dat Louis zelfs respect en gehoorzaamheid af wil dwingen als hij ongelijk heeft; dit is gerelateerd aan de overtuiging dat het fascistische regime absolute autoriteit heeft. Uiteindelijk verlaat Louis de NSJV, omdat hij uitgelachen wordt door de andere jongens vanwege zijn kleine geslachtsdeel (414). Wat dit weergeeft is dat er binnen de NSJV strikte normen zijn om er bij te horen, en dat toewijding alleen niet voldoende is.

Louis boekt dus niet veel succes met zijn pogingen om een autoritaire positie in te nemen. In zijn band met de Kei gebeuren echter wel een aantal interessante dingen die te maken hebben met Louis’ houding tegenover gezaghebbende figuren. In eerste instantie is de Kei duidelijk de baas over Louis, en geeft hij de jongen bevelen (“Ga daar zitten”, “Gedraag u”, “Kniel”); later vindt er echter een verschuiving plaats in deze machtsverhouding, bijvoorbeeld wanneer Louis de Kei in gevaar brengt bij de NSJV door hem ervan te beschuldigen tegen het nationaalsocialisme te zijn (362), en wanneer de Kei zijn pupil vraagt een geheim te bewaren, waarmee hij zijn welzijn in de handen van Louis legt (421). Hier wordt duidelijk dat ook taal gevaarlijk kan zijn. Louis leert dus niet alleen dat er ook volwassenen zijn die tegen de nazi’s zijn, maar ook blijkt door het veranderen van de machtsverhoudingen tussen Louis en de Kei dat autoriteit niet vanzelfsprekend of absoluut is, zoals wordt gepretendeerd door fascistische instanties.

Ten laatste ontdekt Louis in deze roman niet alleen het gevaar, maar ook de andere mogelijkheden van taal. Hij komt er achter dat hij met het verzinnen van verhalen de aandacht van zijn ouders en schoolgenootjes kan trekken, bijvoorbeeld wanneer hij zijn vader opzettelijk manipuleert als hij over het overspel van zijn moeder vertelt (432), of wanneer hij fantaseert over de dagelijkse routine van de baas en geliefde van zijn moeder (418). Ook in zijn eigen ervaringen wordt de invloed van schrijvers duidelijk, onder andere door de steeds opduikende verwijzingen naar andere teksten en auteurs. Wanneer de Kei dan het beroep van dichter in één adem noemt met dat van priester en soldaat (392) – beroepen die Louis eerder bij de Apostelen en de NSJV al uitprobeerde – wordt gesuggereerd dat het misschien ook de moeite waard is om het schrijverschap te overwegen, wat Louis uiteindelijk ook zal doen.

In zijn zoektocht naar een eigen identiteit probeert Louis zich dus in eerste instantie bij verschillende groepen te voegen om zo ergens bij te horen, en om zijn eigen aanzien en autoriteit te vergroten. Uiteindelijk ontdekt hij echter zowel de corruptie als de kwetsbaarheid van gezagsdragers. Hierdoor zou Louis gezien kunnen worden als een symbool voor de Vlaming die op zoek is naar een collectieve identiteit en culturele autonomie, en dit denkt te kunnen vinden door met de nieuwe Duitse gezaghebbers te collaboreren; aan de andere kant staat hij ook voor het intellectualisme, en de mogelijkheid om door het ontwikkelen van een onafhankelijke identiteit (als schrijver) te ontkomen aan een dwangmatige zoektocht naar een groepsidentiteit.

 


… MEER OVER het thema nazisme in Het verdriet van België lees je in ‘Blijft gij het antwoord schuldig’


Literatuur

  • Claus, Hugo. Het verdriet van België. Amsterdam: De Bezige Bij, 1983.
  • Lensen, Jan. De foute oorlog: Schuld en nederlaag in het Vlaamse proza over de Tweede Wereldoorlog. Antwerpen: Garant, 2014.

<< vorige artikel | volgende >>