Logo Universiteit Utrecht

Het verdriet van België

Artikels

Hoe taal en ideologie twee handen op één buik zijn

door Vera Martens

“Ge mocht hem filet américain voor zetten, zonder Befehl kwam hij er niet aan, al zeverde hij van goesting,” zegt de moeder van hoofdpersoon Louis Seynaeve over het hondje van haar baas. Het mag duidelijk zijn, met het lezen van Het verdriet van België spijker je meteen je Frans, Duits en Vlaams bij. Hugo Claus schreef zijn meesterwerk grotendeels in de Vlaamse spreektaal en doorspekte het daarnaast met woorden uit vreemde talen. Alle voorschriften voor helder en gestandaardiseerd taalgebruik lapte hij aan zijn laars. Maar waarom koos Claus voor zo’n onconventionele schrijfstijl?

Een hoofdrol voor taal

Taal speelt een hoofdrol in Het verdriet van België. Wat de roman in de eerste plaats zo bijzonder maakt is dat hij geschreven is in de Vlaamse spreektaal. Dit is even wennen voor de Nederlandse lezer, maar tegelijkertijd de grote kracht van het werk. Door het Vlaamse idioom waarin de personages met elkaar spreken en dat zelfs de vertellerstekst beïnvloedt, waan je je bij de eerste zinnen al in West-Vlaanderen. Het Vlaams en de andere talen zorgen er niet alleen voor dat de personages erg realistisch lijken, maar corresponderen ook met de idealen die ze hebben. Elke taal is verbonden met één van de ideologische posities die al tijdens de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen lijnrecht tegenover elkaar stonden.  Zo zijn Frans, schoon-Vlaams en Duits verbonden aan een specifieke  groep en een specifieke periode in de geschiedenis van België.

Franse invloed

Een woordje Frans spreken is handig bij het lezen van Het verdriet van België, want als lezer kun je niet om het Frans heen. De personages verweven regelmatig Franse woorden door hun Vlaamse zinnen. “Ik kom u au revoir zeggen, Louis,” zegt een klasgenootje van hoofdpersoon Louis Seynaeve als de zomervakantie begint. (287) Ook zijn er personages , zoals de familie De Nowé de Waelhens, die Vlaams spreken met een Frans accent.

Het Franse taalgebruik toont twee dingen. Ten eerste laat het zien hoeveel invloed het Frans had op Vlaanderen. Toen in de late achttiende eeuw de Zuidelijke Nederlanden, wat nu België is, werden ingelijfd door de Franse republiek liet dit duidelijke sporen na. De Franse taal was noodzakelijk voor het begrijpen van belangrijk wetten en overheidsdocumenten en beïnvloedde als gevolg de Vlaamse elite. Deze Vlamingen, zoals de familie De Nowé de Waelhens, begonnen te verfransen en werden franskiljons genoemd. Zij wilden dat België als één land behouden bleef en een politieke en economische eenheid vormde. Om deze reden stonden zij ook wel bekend als de zogenaamde Belgicisten.

Schoon-Vlaams

“Belgiekske nikske,” zegt Louis’ vader Staf schamper als het over Belgicisten gaat. (295) Staf heeft namelijk hele andere idealen dan de franskiljons die België als hun vaderland zien. Net zoals zijn eigen vader hoort Staf bij de flaminganten, een groep Vlamingen die zich richten op de emancipatie van het Vlaamse volk. Voor de flaminganten voelt de Franse invloed als een bedreiging voor hun identiteit en zij verlangen daarom hevig naar een eigen land met een eigen taal en cultuur. Dit verlangen naar culturele zuiverheid, komt tot uiting in het taalgebruik van de familie van Louis’ vader. De opa van Louis is een fervent spreker van het schoon-Vlaams. Dit is een gezuiverde variant van het Vlaams, dat als doel heeft zo ver mogelijk bij het Frans vandaan te blijven en zo Nederlands mogelijk te klinken, ook al hadden de Vlamingen in die tijd geen idee hoe het Nederlands zoals het in Nederland gesproken werd precies klonk. Als Staf het woord punaises gebruikt, verbetert Louis’ grootvader hem meteen: “Staf, gij met uw Frans altijd, zeg liever: duimspijkers.”(15) Schoon-Vlaams is eigenlijk meer Nederlands dan het Nederlands zelf.

De Vlaams-nationalisten wilden dus zo veel mogelijk van de Franse invloeden verschoond blijven. Sterker nog, alles wat Romaans was moest gemeden worden. “Wij zijn geen Belgen, Constance, wij zijn Vlamingen, dat wil zeggen een Germaans broedervolk,” (262) corrigeert Staf zijn vrouw als zij zichzelf een Belg noemt. Voor de flaminganten is dit onderscheid tussen Germaans en Romaans van groot belang. Het Frans en het Vlaams horen bij een andere taalfamilie en zouden daarom zeker niet met elkaar gemengd moeten worden, vonden zij.

Germaanse broeders

Als in Het verdriet van België de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, drukt het zogenaamde Germaanse broedervolk van de Vlamingen ook een stempel op de Vlaamse taal. Verschillende personages beginnen Duitse woorden en zinnen te gebruiken. “Ge mocht hem filet américain voor zetten, zonder Befehl kwam hij er niet aan, al zeverde hij van goesting,” zegt Louis’ moeder over het overleden hondje van haar baas. (389)  Aan de mix van Vlaams en Frans voegt Constance nu ook Duits toe. Het Duitse taalgebruik heeft alles te maken met een sterke sympathie voor Nazi-Duitsland die sommige flaminganten op dat moment koesterden. Louis’ familie collaboreert zelfs met de Duitsers: Louis’ moeder, Constance, gaat tijdens de Tweede Wereldoorlog werken voor de Duitse ERLA-fabriek, en Louis, beïnvloed door zijn Duitsgezinde ouders, sluit zich aan bij de NSJV, de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen.

Deze collaboratie is geworteld in Vlaams Nationalisme. Als ze de oorlog zouden winnen, zo beloofde Hitler, zou Duitsland de Vlamingen een eigen land geven. Een wens die de flaminganten natuurlijk graag vervuld zouden zien. Daar komt bij dat de Duitsers, anders dat de Fransen, bij dezelfde taalfamilie horen als de Vlamingen, en de flaminganten zich daardoor meer verbonden voelen met hun oosterburen. Als Louis’ oma zegt dat de Vlamingen zich zullen moeten aanpassen als de Duitsers Vlaanderen “bevrijden”, werpt Staf tegen: “Ja, maar voor het eerst zijn we onder Germanen. Van dezelfde stam onder elkaar.” (312)

Een lange neus naar taalzuiverheid

In Het verdriet van België zijn taal en ideologie dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het taalgebruik van de romanpersonages is een portaal naar hun opvattingen, vooroordelen en idealen. Daarnaast is het een sleutel die toegang biedt tot de complexe politieke situatie van Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wie aandacht besteedt aan de taal in de roman komt dus veel te weten over onze zuiderburen.

Alsof dat nog niet genoeg is, is Het verdriet van België ook nog een lange neus naar alle pogingen om van het Vlaams een gezuiverde standaardtaal te maken. Door zijn roman in de Vlaamse spreektaal te schrijven, die een mengelmoes is van verschillende invloeden vanuit het Frans en Nederlands, verzette Claus zich tegen taalzuiverheid. Claus wilde zich van de, in zijn woorden, “schraalheid” die strenge regels en voorschriften voor taal met zich meebrengen bevrijden.  Juist de veelvoudigheid van het Vlaams maakt de taal zo rijk, vond hij. Daarnaast zou een gepolijste, uitgedachte taal geen recht doen aan de grillige en complexe werkelijkheid. Het weelderige Vlaams laat zien wat er omgaat in de hoofden van de worstelende romanpersonages in Het verdriet van België. Taal en ideologie, nee taal, ideologie en geschiedenis zijn drie handen op één buik.  

 


… MEER OVER de representatie van de Vlaming lees je in ‘De Vlaming staat te kakken’


Literatuur

  • Absillis, Kevin. ‘Hugo Claus en het verdriet van de puristen’, in: Kevin Absillis et al (red.), De plicht van de dichter. Hugo Claus en de politiek. Antwerpen: De Bezige Bij, 2013, 170-196.
  • Beyen Marnix, ‘Hugo Claus en de Belgische naties’, in: Kevin Absillis et al (red.), De plicht van de dichter. Hugo Claus en de politiek. Antwerpen: De Bezige Bij, 2013, 309-327.
  • Bultinck, Bert. ‘Flamands! Encore un effort! Notities over de taal van de Vlaamse literatuur’, in: Bzzlletin vol. 32 (2003-2004), afl. 287 (nov 2003), 18-28.
  • Deprez, Kas (1999), ‘De taal van de Vlamingen’, in: Kas Deprez & Laura Vos (red.), Nationalisme in België. Identiteiten in beweging 1780–2000. Antwerpen, Houtekiet. 103-116.

<< vorige artikel | volgende >>